De hoop van de pelgrim

leestijd 25 minuten

Lezing gehouden op 25-03-2025 in de Johanneskerk in Laren

1.

Spes non confundit, De hoop wordt niet beschaamd, een citaat uit de brief aan de Romeinen en de titel van het pauselijke document dat is gepubliceerd ter gelegenheid van het Heilig Jaar 2025. En het thema van dat jubeljaar is ‘Pelgrims van Hoop’. Dat lijkt een goed gekozen thema, want vooral in Europa is de kans groot dat, wanneer je iemand ziet wandelen met een grote rugzak op zijn rug, die wandelaar zich een pelgrim noemt. Pelgrimeren kun je overal vandaag de dag en het is immens populair. Ook het thema hoop is actueel. Het ene na het andere boek over hoop wordt gepubliceerd. Ik kon het bij de voorbereiding van deze lezing niet bijbenen. De tijden zijn onrustig: de politieke ontwikkelingen, oorlogsdreiging, de klimaatcrisis en de groeiende macht van bigtech baren ons zorgen en soms is het heel moeilijk iets te vinden waaruit nog hoop geput kan worden. Kortom: het thema ‘Pelgrims van Hoop’ lijkt een verrassend goedgekozen en actueel thema.

Totdat je het document van het Vaticaan gaat lezen. De schrijver van het document heeft zich niet echt ingelezen in de actuele literatuur, niet die over pelgrimage en niet die over hoop. Met de pelgrims worden in het document bedoeld de gelovigen die in het Heilig Jaar naar Rome komen om een aflaat te verdienen door de zeven pelgrimskerken aldaar te bezoeken. En met hoop doelt men op de hoop op het eeuwig leven, dat je tegemoet kunt zien wanneer je eenmaal die aflaat op zak hebt. Die aflaat is overigens alleen beschikbaar voor wie gedoopt is en — verheug u niet te vroeg — voorafgaand aan zijn pelgrimage heeft gebiecht. Er staat nog veel meer in het document, maar ik wil het hierbij laten en verder zelf mijn weg zoeken, als een hoopvolle pelgrim.

Ik ga u eerst iets vertellen over de hoop. En daarna gaan we kijken of, en zo ja hoe, pelgrimage en hoop bij elkaar passen.

2. Hoop

Volgens de Griekse mythologie was Pandora de eerste mensenvrouw op aarde. De Olympische goden waren nogal ontstemd geraakt over de mensenmannen en besloten er een vrouw op af te sturen om de mannen een lesje te leren. Ze knutselden een mensenvrouw in elkaar en gaven haar schoonheid, intelligentie en talent.

Voordat ze de wereld in werd gestuurd, gaf oppergod Zeus Pandora een kruik vol onheil mee, geen doos, want dozen kenden de oude Grieken niet, een kruik, met het uitdrukkelijk bevel dat die kruik in geen geval geopend mocht worden. Dat was een trucje van de goden, want ze waren ervan overtuigd dat Pandora, onbetrouwbaar, wispelturig en nieuwsgierig als vrouwen nu eenmaal zijn, die kruik wel open zou maken en dat was precies de bedoeling. Aldus geschiedde. Pandora opende de kruik en alle onheil waarvan de mensheid tot op die dag verschoond was gebleven, vloog naar buiten en de wereld in: hongersnoden, natuurrampen, oorlogen en ziektes van allerlei aard. Ontsnapt. Pandora schrok zich natuurlijk een hoedje en wilde de kruik snel weer sluiten, en van wat er toen gebeurde, bestaan verschillende versies. In de oudste versie van de mythe (die van Hesiodos) van rond 700 voor Christus, blijft de hoop, die ook in de kruik zat, in de kruik achter toen die weer wordt gesloten. Volgens een andere versie wist de hoop nog net op tijd te ontsnappen.

XX

Hoe moeten we die Griekse mythe nu interpreteren? Is de hoop een van de vele plagen die uit de kruik ontsnapten en die vanaf dat moment het leven van de mensen zouden vergallen, of hadden de goden ook de hoop in de kruik gestopt om ervoor te zorgen dat de mensheid niet aan al die ellende ten onder zou gaan? Is de hoop iets positiefs of iets negatiefs? Of is het allebei tegelijkertijd? Daar is al het nodige over gezegd en geschreven. Ik heb enkele schrijvers uitgezocht die ik wat uitgebreider bespreek, zonder ze steeds te noemen, want de betogen overlappen elkaar nogal eens. Anderzijds spreken ze elkaar af en toe ook tegen, en dat laat ik dan maar even zo staan.

Wij zijn geen oude Grieken, dus we hebben een andere theorie over de oorsprong van de hoop. Veel auteurs die over het onderwerp hebben geschreven, zeggen dat het een typisch menselijk fenomeen is of zelfs dat hoop is gebonden aan het bezit van taal. Dieren zouden dus geen hoop kennen. Alleen de Duitse filosoof en historicus Philipp Blom (die overigens een prachtig boek over hoop heeft geschreven) schrijft dat de hoop is gebaseerd op onze overlevingsdrang. En dat lijkt veel waarschijnlijker. De evolutie houdt niet van grote investeringen in gloednieuwe producten wanneer modificatie van het bestaande nog voldoende mogelijkheden biedt. Leven is een moeizame zaak, of je nu mens bent of bacterie. Een levend wezen dat niet aan het leven hangt en het met al zijn krachten wil verdedigen, maakt het niet lang. Zelfs een eencellige bacterie beweegt zich van een omgeving met weinig voedingsstoffen, naar een omgeving met meer voedingsstoffen om te kunnen overleven. Een heel eind verder in evolutie, in organismen die hersenen hebben, brengt alleen al het vooruitzicht op iets goeds, bijvoorbeeld iets lekkers te eten, een zeer sterke, motiverende reactie teweeg. Iets goeds in het vooruitzicht hebben, maakt nieuwe krachten vrij. Dat geldt ook voor dieren. Dat zou je al een soort korte-termijn hoop kunnen noemen. En ménsen, die veel verder vooruit kunnen kijken dan de andere dieren, en zich ook dingen kunnen voorstellen die ze niet voor zich zien, kunnen dat vooruitzicht op iets goeds zelf in de verre toekomst projecteren. En dat noemen we dan hoop: de projectie van iets goeds in de toekomst. Het goede is natuurlijk dat wat de hopende op dat moment als het goede beschouwt, wat heel goed achteraf (of voor iemand anders) het kwade kan zijn. Enkele schrijvers over hoop gaan zover dat ze de hoop onontbeerlijk achten voor het menselijk leven zelf: zonder enige vorm van hoop valt niet te leven. In algemene zin kun je dus zeggen: zolang er leven is, is er hoop, of: hoop doet leven. In specifieke zin is dat echter niet waar: er zijn tal van situaties denkbaar waarin er wel leven is, maar geen hoop meer.

De negatieve versie van dit perspectief is dat de hoop ons er van weerhoudt om zelfmoord te plegen, waarmee aan al het lijden in één klap een einde zou worden gemaakt. Ook dat standpunt is in de literatuur vertegenwoordigd. De stoïcijnen huldigden het principe: waar dood is, is hoop. Als het lijden ondraaglijk wordt, is er altijd nog de dood als uitweg. Arthur Schopenhauer, die zoals bekend, niet de neiging had naar the bright side of life te kijken, schrijft het volgende:
‘Hoop is het verwarren van de wens met het waarschijnlijke. Maar misschien is geen mens gevrijwaard van die gekkigheid, die het intellect bij de inschatting van een waarschijnlijkheid zozeer belemmert, dat het één op duizend voor een goede mogelijkheid houdt. En toch komt een hopeloos ongelukkige situatie overeen met een snelle dood, terwijl de steeds verijdelde en toch altijd weer oplevende hoop lijkt op een lange marteling tot de dood er op volgt. […] Het is namelijk voor de mens natuurlijk om te geloven in wat hij wenst, en het te geloven omdát hij het wenst.’ Aldus een beroemd citaat van Arthur Schopenhauer (1788-1860) die dus duidelijk maakt dat hoop volgens hem iets negatiefs is, een van de plagen die in de kruik van Pandora zaten. Hij volgt de lijn van Hesiodos. En een hele reeks filosofen en ander schrijvend volk was het door de eeuwen heen met hem eens. De meeste moderne schrijvers zijn wat genuanceerder en met hen ga ik nu verder.

Ieder boek dat het fenomeen hoop behandelt, begint met een poging tot een definitie van hoop en waar dat meestal op uit draait is een opsomming van wat hoop allemaal niet is. En hoe verschillend de auteurs de hoop ook behandelen, ze zijn het er bijna allemaal over eens dat hoop niet hetzelfde is als optimisme, niet hetzelfde als positief denken, niet hetzelfde als een wens, en niet hetzelfde als een illusie. Hoop heeft een veel hoger soortelijk gewicht dan optimisme, wensen en illusies. In dat perspectief hebben Schopenhauer cum suis het helemaal niet heeft over hoop, maar over wensdenken.

Hoop is ook niet een passief wachten op een wonder, maar veel meer een actief werken in de richting van het gehoopte. Hoop is het creëren van mogelijkheden, werken aan dat wat niet onmogelijk is, maar ook lang niet zeker. Anderzijds moeten we de categorie hoop ook niet te klein maken, volgens de Franse filosoof Gabriel Marcel, want in feite is elke actie die — moreel, intellectueel of esthetisch — uitstijgt boven wat dagelijks nodig is om in leven te blijven, al een vorm van hoop.

‘Het concept ‘mogelijkheid’ is dat wat het nu en de toekomst verbindt, en dat concept creëert dan ook de infrastructuur van hoop, zegt de Noorse filosoof Lars Svendsen. […]Hoop is een beweging in de richting van het goede, niet een simpel begeren van het goede. En de hoop is niet één deugd, maar veronderstelt een heel cluster van deugden: geduld, vertrouwen, moed, vasthoudendheid, veerkracht, verdraagzaamheid en uithoudingsvermogen, schrijft de Engelse filosoof Terry Eagleton. Zo is uiteindelijk de slavernij afgeschaft en zo hebben vrouwen kiesrecht gekregen, zegt Rebecca Solnit. En zo zal ooit de bio-industrie afgeschaft worden, zeg ik erbij.

Echt ‘hopen’ is altijd gericht op een vorm van verlossing, zegt Gabriel Marcel, verlossing uit een gevangenschap die je belet om het leven te leven.

Nu hebben we het terrein enigszins afgebakend.

Wie zegt: ‘Ik hoop dat het morgen niet regent’, gebruikt wel het woord hoop, maar niet volgens de definitie van de auteurs die ik net heb genoemd. Je kunt de buienradar raadplegen en dan weet je al aardig wat je kunt verwachten, en daarmee de onzekerheid wegnemen. Als die buienradar aangeeft dat het morgen de hele dag plenst, dan kun je wensen dat het droog wordt, maar er op hopen kun je niet. Wensen kun je alles, maar niet op alles wat je wenst, kun je ook hopen, omdat je niet kunt hopen op iets dat niet mogelijk is, dat wil zeggen: op iets dat geheel buiten de invloedsfeer van de mens ligt. Maar wanneer je een auto of een paraplu hebt, kun je misschien, nadat je je plannen wat hebt aangepast, de regen trotseren. Met een beetje flexibiliteit hoef je helemaal geen last van de regen te hebben. Dus je hoeft helemaal niet je toevlucht te nemen tot hoop. Volgens veel auteurs is daarom in een dergelijk geval het woord hoop niet terecht: je kunt wel degelijk enige zekerheid vergaren over mogelijke regen de volgende dag, je kunt geen actie ondernemen om een droge dag waarschijnlijker te maken, maar je kunt je zonder veel moeite aanpassen en je plannen uitvoeren. Kortom: het probleem van de regen is niet zwaar genoeg om het woord hoop te rechtvaardigen. Zeggen: ik wens dat het morgen niet regent, zou dus beter zijn.

Hoop is ook niet hetzelfde als optimisme. Je kunt pessimistisch zijn ten aanzien van een toekomstscenario, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de klimaatcrisis, maar toch hoop houden dat die crisis nog enigszins om te buigen is, zodat de uitkomst in ieder geval niet totaal desastreus zal zijn. In dat geval zul je je tot het laatst inzetten om te voorkomen dat de crisis verergert. Een optimist zal zeggen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen: het klimaat verandert nu eenmaal voortdurend, niks nieuws onder de zon; grootschalige uitsterving is er al vaker geweest; we passen ons wel aan; ‘ze’ verzinnen er nog wel iets op; een technologische oplossing ligt om de hoek. In zekere zin zitten optimisme en hoop elkaar dus in de weg, omdat voor de optimist de noodzaak tot actie minder urgent is. Daarom noemt Terry Eagleton optimisme ‘banaal’, en een ‘moreel astigmatisme’, een morele oogafwijking dus, waardoor een deel van de werkelijkheid – namelijk dat deel dat niet in de kraam te pas komt - gewoon niet wordt waargenomen. Eagleton heeft ook weinig goede woorden over voor ‘religieus optimisme’ waarin het lijden wordt gezien als een onderdeel van Gods plan voor de wereld, waarin alles zich uiteindelijk ten goede zal keren. Ook Gabriel Marcel bestrijdt de christelijke drogreden dat God ons heeft verboden te wanhopen omdat hij ons in zijn oneindige goedheid nooit zoveel zal laten lijden dat we er onder bezwijken. Marcel noemt dat soort redeneringen ‘verbale trucjes’ want wij weten niet tot hoeveel lijden wijzelf in staat zijn en we kennen ook niet Gods plan.

Rebecca Solnit schrijft: optimisten denken dat het allemaal vanzelf wel goed komt, pessimisten denken dat alles hoe dan ook al verloren is, en beide vinden dat ze niets hoeven of kunnen doen. Het is het geloof (sic!) dat wat wij doen er toe doet, dat de hoop levend houdt, hoewel we niet van tevoren kunnen weten wat, wanneer, hoe en waar het er toe zal doen. En misschien komen we het achteraf ook niet te weten hoe en waar het ertoe deed, want de geschiedenis is vol van mensen die pas invloed kregen ver na hun dood. Activisten zijn zich daarvan niet altijd bewust, verliezen hun geduld en worden bitter en cynisch en soms gewelddadig. De geschiedenis is echter niet een simpel oorzaak-gevolg proces, maar het resultaat van talloze parallelle processen, en daarmee volstrekt onvoorspelbaar. Niemand kan de lange-termijn gevolgen van zijn daden overzien. En bovendien: wat op een gegeven moment een volstrekt normale ontwikkeling lijkt te zijn, zou vaak enkele jaren eerder op een wonder hebben geleken. Hoop is een omarmen van de onkenbaarheid van de wereld. Sommige dingen lijken onmogelijk, maar dat kan snel veranderen. Velen dachten ooit dat de afschaffing van de slavernij de ineenstorting van de wereldeconomie zou betekenen en dus onmogelijk was. Dat bleek niet zo te zijn. Aldus Rebecca Solnit.

En Philipp Blom schrijft: ‘Wij kunnen ons leven alleen maar leiden omdat talloze mensen vóór ons gehoopt en gestreden hebben voor dingen die volkomen onrealistisch en ongehoord waren. Velen zijn gestorven in de overtuiging dat ze mislukt waren en dat hun hoop niet te verwezenlijken was. Maar alleen omdat ze een deel van de keten van de hopeloze hoop zijn geworden, zijn wij er. Voor hoop heb je een lange historische adem nodig. Van Blom en Solnit mag je dus ook het onmogelijk lijkende hopen, als je maar niet verwacht dat die hoop op korte termijn verwezenlijkt zal worden. Volgens Gabriel Marcel is de basis voor echte hoop juist het blijven geloven in wat de gevestigde macht of ‘het gezond verstand’ voor onmogelijk houdt. Hier wordt dus vooral bedoeld het niet mogelijk geachte, en niet iets dat buiten de invloedsfeer van de mens ligt.

En tenslotte: hoop is niet hetzelfde als positief denken. Met dat positief denken is er nogal wat aan de hand. Er zijn mensen die van nature de slechtst denkbare uitkomst van welk proces dan ook verwachten, en voor hen is het waarschijnlijk wel gezond om iets positiever te leren denken. Anderzijds heeft het fenomeen ‘positief denken’ in sommige kringen iets sektarisch gekregen: wanneer je niet positief denkt, zijn tegenslagen je eigen schuld. Barbara Ehrenreich (1941-2022), een Amerikaanse schrijfster en journalist, heeft een boek geschreven over de positiefdenkensekte waarmee ze te maken kreeg toen bleek dat ze borstkanker had. En die Amerikaanse versie van positief denken is niets anders dan magisch denken, uitgaande van de premisse dat je met je gedachten alles richting de gewenste uitkomst kunt sturen, wat in de praktijk meestal betekent dat je je vooral niet bezig houdt met het leed van anderen, want die hebben dat leed aan zichzelf te danken en mogen jouw positiviteit niet verstoren. Ehrenreich schrijft dat het grote verschil tussen positief denken en hoop is, dat hoop existentiële moed vereist, de moed om de realiteit onder ogen te zien (in haar geval dat ze een levensbedreigende ziekte heeft) en te accepteren dat mensen nu eenmaal hebben te kampen met tegenslagen van allerlei aard, die niet hun eigen schuld zijn en die ook slecht kunnen aflopen. In feite is de positiefdenkendoctrine gebaseerd op een existentiële angst die zo onzichtbaar mogelijk moet worden gehouden, aldus Ehrenreich. Ook Terry Eagleton bekritiseert het positief denken dat volgens hem voortkomt uit een pathologische angst om te mislukken. En het is zeker een morele zwakte, aldus Eagleton, want het neemt de wanhoop en het lijden niet serieus.

Dus: de vereisten voor echte hoop zijn in iedere geval de bereidheid om de ernst van de problemen onder ogen te zien, de bereidheid om de onzekerheid over de uitkomst te aanvaarden, en de bereidheid om zelf in actie te komen. Dat alles onderscheidt de hoop van de wens, het optimisme en de illusie. Je kunt het ook anders zeggen, zoals de theoloog Paul Tillich: De enige hoop die we hebben, is de hoop die verschijnt wanneer de situatie hopeloos is. Om hoop te kunnen hebben, moet je geloven tegen de klippen op. Niet geloven in de zin van de geloofsbelijdenis: in de opstanding van Jezus van Nazareth en zijn wederkomst, maar in een toekomst die volstrekt onkenbaar is, die echter wel mede wordt gevormd door onze acties. We moeten wel geloven, wanneer we nog willen kunnen hopen.

Hoop is doorploeteren in de duisternis wanneer er geen licht is te zien aan het eind van de tunnel, accepteren dat dat licht er misschien helemaal niet is en de tunnel doodloopt, maar niet opgeven totdat dat duidelijk is. Je neemt de bittere teleurstelling die je misschien wacht, het moment waarop duidelijk wordt dat je de hoop moet loslaten, op de koop toe. Dat laatste, het noodgedwongen opgeven van de hoop, hoeft echter niet noodzakelijk te leiden tot wanhoop. De acceptatie van een situatie die geen hoop meer toelaat, kan ook ruimte geven voor berusting. In zijn essay De mythe van Sisyphus schrijft Albert Camus over een volstrekt hopeloze situatie, waarin zelfs de dood geen verlossing meer kan brengen. Sisyphus heeft als sterfelijk mens met zijn gedrag de woede van de goden gewekt en wordt er na zijn dood toe veroordeeld om tot in de eeuwigheid een zware steen een berg op te zeulen, die er vervolgens weer vanaf rolt, waarna hij weer opnieuw kan beginnen. De Sisyphus van Camus wanhoopt niet bij de gedachte dat hij tot in de eeuwigheid dit loodzware, maar zinloze werk zal moeten doen, maar accepteert het als zijn taak. Die steen is zijn ding geworden, zegt Camus. De inspanning die hij moet plegen om de steen bovenop de berg te krijgen is genoeg om hem vervulling te geven. De laatste zin van het essay is: We kunnen Sisyphus beschouwen als een gelukkig man. Het is mogelijk geen hoop te hebben zonder te wanhopen, en zelfs gelukkig te zijn. Gabriel Marcel noemt dat een uitrijzen boven een onvermijdelijk lot, aan gene zijde van hoop een wanhoop. Waarop je in ieder geval nooit kunt hopen is het paradijs op aarde, zegt Rebecca Solnit. We leven op de aarde en die zal nooit de hemel zijn. Dat betekent dat we hoe dan ook zullen moeten leven met allerlei imperfecties. De meeste overwinningen zijn tijdelijk of incompleet en we zullen altijd onderweg zijn naar de perfectie, zonder die ooit te bereiken. Je kunt niet hopen op een toestand die perfect, absoluut en voor altijd is. Niets is ooit zo goed dat er geen verbetering meer mogelijk is, en niets is ooit zo kapot dat je geen poging zou kunnen wagen om het repareren. In dat perspectief moet een zekere mate van creativiteit en flexibiliteit onderdeel zijn van het proces waarin de hopende zich bevindt: als het niet linksom kan, dan moet het maar rechtsom. Aldus Rebecca Solnit.

Terry Eagleton wijst op het probleem van de hoop in situaties van grote overgangen. Waarop moet je je hoop richten wanneer de wereld die je kent ineenstort? Wat moet je hopen wanneer je geen idee hebt hoe de toekomst eruit zal zien en of er nog wel een toekomst is? Welke hoop kan een algehele catastrofe overleven? Eagleton voert aan dat dat de situatie was waarin de volgelingen van Jezus zich bevonden na zijn dood. Alle hoop leek vervlogen en ze konden zich geen voorstelling maken van hoe het nu verder moest. Maar nadat Jezus was gestorven aan het kruis bleken de leerlingen wel degelijk verder te kunnen. Hij had ze gebracht naar het punt van waar ze het alleen konden, maar dat wisten zij toen nog niet en dat wist Jezus zelf kennelijk ook niet, want hij kon niet begrijpen waarom God hem verlaten had. Hij dacht in zijn laatste momenten dat zijn missie was mislukt. Wij weten intussen dat zijn missie resulteerde in een wereldgodsdienst.

En dat is misschien ook wel de situatie waarin we ons nu allemaal bevinden, nu we worden geconfronteerd met het einde van het leven zoals wij dat kennen. Zoals ik al zei: de politieke ontwikkelingen die richting het einde van de democratie lijken te gaan, de klimaatverandering die voor steeds grotere problemen zorgt, zoals de dramatische achteruitgang van de biodiversiteit, en waar niet op korte termijn iets aan kunnen doen, en de ontwikkeling van bigtech, die ervoor zorgt dat dubieuze figuren de halve wereld plat kunnen leggen wanneer ze dat willen, en het is niet uitgesloten dat ze dat een keer zúllen willen. Philipp Blom noemt het dreigende einde van de democratie, de oorlogen, de klimaatverandering en de groeiende macht van de technologiebedrijven, de apocalyptische ruiters van onze tijd. Waarop moeten wij hopen? Dat waarop we hebben geleerd te hopen, lijkt verhuisd te zijn naar het domein van het onmogelijke omdat het definitief in het verleden lijkt te liggen: de groei, de vooruitgang, het ‘alles wordt beter’. En nieuwe doelen voor onze hoop hebben we nog nauwelijks gevonden.

En daarmee zijn we aangeland bij een speciaal soort hoop. De eschatologische hoop. Dat is de hoop op een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. En ook wel de hoop op een leven na de dood, een eeuwig leven ‘in de hemel’. Het is in ieder geval een hoop die niet is gericht op dit leven, en daarmee is het ook een hoop die niet teleurgesteld kán worden, want als hij niet uitkomt, zul je het nooit weten. Het is een buitengewoon effectieve hoop, die mensen door de eeuwen de kracht heeft gegeven alle onrecht en ellende te doorstaan, omdat er uiteindelijk gerechtigheid zal zijn. Het is de hoop die de armen, de treurenden, de zachtmoedigen, degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, de barmhartigen, de onschuldigen, de vreedzamen, de vervolgden en de vernederden mogen koesteren. U hebt het waarschijnlijk begrepen: dit zijn degenen die worden genoemd in de Bergrede. Of het ook de hoop kan zijn van degenen die niet tot die groepen behoren, is maar de vraag. De braven worden in de Bergrede niet genoemd en hopen op de hemel als beloning voor je, in je eigen ogen, vlekkeloze levenswandel, lijkt misschien toch teveel op ‘wie zoet is krijgt lekkers’. En ook over de aflaat voor wie genoeg geld heeft om naar Rome te reizen, zegt de Bergrede niets. Een dergelijke hoop voldoet ook niet aan de definitie van hoop die we net hebben gegeven, want een dergelijke hoop op een leven na de dood dat ‘verdiend’ is, kan ook, juist omdat de uitkomst noch ontkend noch bekrachtigd kan worden, als een ‘ultieme metafysische zekerheid’ worden gekoesterd, zoals Gabriel Marcel het noemde. Deze hoop ontkent, net als het positief denken, de realiteit van het tragische, de wanhoop, het mislukken en het lijden. Deze hoop die geen hoop is, lijkt meer op een zelfgenoegzaamheid die alle onzekerheid categorisch ontkent. De echte hoop is een vijand van zowel de zelfgenoegzaamheid als van de wanhoop, zegt de Duitse theoloog Karl Rahner: de zelfgenoegzame wil de toekomst onder controle brengen, de wanhopige wil geen enkele moeite meer doen om er wat van te maken.

Maar er is ook nog een ander soort eschatologische hoop, die wel is gericht op iets goeds op deze aarde, maar misschien niet gerealiseerd zal worden in dit leven, dat wil zeggen: het leven van de hopende. Rebecca Solnit en Philipp Blom wijzen allebei op de lange adem die nodig is voor hoop, die misschien pas na je dood resultaat zal hebben. Ook dat is een eschatologische hoop, zoals Karl Rahner benadrukte.

Je kunt ook hopen dat een volgende generatie het einde van de tunnel zal bereiken. Je kunt hoopvol werken aan een doel, dat voor jezelf misschien niet meer bereikbaar is, maar waarmee je anderen wel een eind op weg kunt helpen. Zoals Mozes, die het volk door de woestijn leidde, maar stierf voordat het beloofde land was bereikt, zoals Jezus, die zijn leerlingen had toegerust om zijn werk voort te zetten.

Dat lijkt me een goed besluit van dit betoog over de hoop.

3. Pelgrimage

De pelgrimage is een ritueel. En een ritueel is ‘dat wat je doet als je niet weet wat je moet doen.’ Dat wat je doet als je stress ervaart. En de pelgrimage is een wijdverspreid ritueel. Het is al een heel oud ritueel, waarschijnlijk ongeveer zo oud als homo sapiens of misschien nog ouder.

Verder wordt de pelgrimage in alle religies en culturen gevonden, zelfs in het christendom, waarin ze eigenlijke helemaal niet past, omdat God immers alomtegenwoordig is. En ook in onze postchristelijke tijden bevolken zichzelf ongelovig noemenden in groten getale de oude en nieuwe pelgrimswegen, met een horde onderzoekers in hun kielzog. De kerk, het geloof, zelfs het christendom zijn verlaten, maar de pelgrimage bloeit als nooit te voren. Kortom: de pelgrimage mag gelden als een universeel menselijk fenomeen, geheel onafhankelijk van religie en cultuur en ook onafhankelijk van instituties. Kennelijk is het ritueel van de pelgrimage een voordehand liggende stressoplosser voor de mens. Dat wat je doet als je niet weet wat je moet doen. De pelgrimage past als een handschoen op de menselijke geest, beter gezegd, de menselijk geest heeft die handschoen zijn vorm gegeven. De menselijke geest was de mal waarop de pelgrimage is gevormd. Dat is alvast een eerste overeenkomst tussen de pelgrimage en de hoop: beide hebben hun oorsprong in de diepten van de menselijke geest: de hoop als overlevingsdrang en de pelgrimage als stressbestrijder.

Wanneer we nu wat verder inzoomen, dan zien we dat het ritueel van de pelgrimage bestaat uit twee hoofdelementen: de heilige plaats, het heiligdom, en de weg ernaartoe. En in die twee elementen ligt ook meteen de verklaring waarom de pelgrimage zo populair is dwars door culturen en religies heen. De weg, dat wil zeggen ‘beweging’, en ‘plaats’ zijn belangrijke, misschien wel de belangrijkste, instrumenten voor ons denken. Zoals ik al zei: de evolutie is niet zo dol op grote investeringen, dus ze maakt bij voorkeur gebruik van bestaande mogelijkheden om op verder te borduren. En er is één eigenschap van ons lichaam die een cruciale rol speelt in ons denken over de wereld om ons heen: het gevoel van ruimte dat we ons eigen maken door te bewegen. Het fundament waarop al ons denken is gebaseerd is de ruimte om ons heen en onze beweging daarin.

Eerst de beweging. Herman Vuijsje heeft het lopen voorgesteld als een van de antropologische constanten van de pelgrimage. Vuijsje liep van Santiago de Compostela terug naar Amsterdam, en daarover heeft hij geschreven in zijn bestseller Pelgrim zonder God. Hij ervoer het dag-in-dag-uit lopen als heilzaam. Hij schrijft in dit verband: Misschien is een pelgrimstocht heden ten dage dus een prima anti-depressivum. […] Het zou me niet verbazen als deze werking van de pelgrimstocht als anti-depressivum ook in de Middeleeuwen al gold. Een andere ‘beroemde’ wandelaar, Bruce Chatwin schreef:. Drugs are vehicles for people who have forgotten how to walk. Drugs zijn voertuigen voor mensen die niet meer weten dat ze kunnen lopen. De Nederlandse filosoof en hardloper Dirk van Weelden schreef dat hij het lopen heeft leren zien en gebruiken, als een geneesmiddel en een genotmiddel, waarmee hij dus zowel Vuijsje als Chatwin gelijk geeft. En al die uitspraken doen vermoeden dat de hersenen iets te maken hebben met de effecten van het lopen, want antidepressiva en drugs doen hun werk in de hersenen. En dat is ook zo. Er is inmiddels een overvloed aan neurowetenschappelijk literatuur waaruit blijkt dat lopen voor de mens veel meer is dan een manier om van de ene plaats naar de andere te geraken. Het lopen heeft een positieve uitwerking op de stemming en de cognitie, je wordt er dus vrolijker en slimmer van, en met een beetje geluk brengt het je in de zevende hemel. Met andere woorden: al lopend kun je God ontmoeten. Vanuit dat perspectief is het helemaal niet zo vreemd dat de pelgrimage te voet tegenwoordig weer zo immens populair is.

En dan de heilige plaats. Ieder heiligdom is onderdeel van een mythologisch weefsel. Binnen dat weefsel is dat heiligdom een ruimte waarin het leven heel, ongeschonden, is, omdat het de ruimte is waar de godheid zich heeft gemanifesteerd. Door zich te begeven in die ruimte, die wel op aarde is maar een extra, hemelse, dimensie heeft, hoopt de pelgrim zijn eigen leven weer ‘heel’ te maken, zich te bevrijden van de gebrokenheid van het aardse leven en zo getransformeerd weer terug te keren naar zijn dagelijks beslommeringen. En ook dat blijkt een heel krachtig fenomeen te zijn voor de menselijke psyche: een en hetzelfde heiligdom kan een rol spelen in verschillende mythologische weefsels, het kan de plaats van godheden uit verschillende religies zijn, tegelijkertijd of opeenvolgend. Heilige plaatsen oefenen een aantrekkingskracht uit die de mythologische en religieuze verschillen kan overstijgen. Het feit dát een plaats heilig is, is veel belangrijker dan waaróm die plaats heilig is.

Het is niet zo gek dat een alomtegenwoordige godheid wel in theorie kan worden aangehangen, maar in de praktijk niet voldoet. Alomtegenwoordigheid past niet in ons denkkader, want in de wereld waarin wij leven is niets alomtegenwoordig, we hebben daar geen ervaring mee, want alles en iedereen heeft zijn plaats. Daarom woont die alomtegenwoordige god ook gewoon in de hemel. Daar kunnen wij weliswaar bij leven niet komen, dus ideaal is het niet, maar dan weten we tenminste waar hij is. Wanneer we de blik omhoog richten, hebben we toch het gevoel dat we hem kunnen aanspreken. Maar de mens wil toch het liefst zijn god kunnen bezoeken om hem zijn noden voor te leggen. Een alomtegenwoordige god is voor de mens onvindbaar, de hemel is onbereikbaar, een plek op aarde van waaruit contact mogelijk is, is dus eigenlijk onontbeerlijk. Zo’n plek is bijvoorbeeld een plaats waar Maria is verschenen, of een plaats waar het gebeente van een heilige wordt bewaard. Zij kunnen bij God bemiddelen voor de mens. Samenvattend: het belang van ‘weg’ en ‘plaats’ zit diep in ons menselijk genoom ingebakken, het zijn onze belangrijkste denkmodellen en we vallen erop terug wanneer we niet weten wat te doen.

Nu gaan we dat complex van weg en plaats wat verder ontleden en het bekijken vanuit het perspectief van een denkbeeldige pelgrim. Onze pelgrim wil iets doen aan de dreigingen die op hem afkomen, maar hij weet niet wat. Hij voelt zich machteloos, heeft geen middelen tot zijn beschikking om de gevaren die zijn toekomst bedreigen te bestrijden. Hoop is niet een passief wachten op een wonder, maar veel meer een actief werken in de richting van het gehoopte, zei ik eerder. Maar soms weet je gewoon niet wat je zou kunnen doen. Daarvoor heeft de mens zijn rituelen ontwikkeld. Dat wat je doet wanneer je niet weet wat je moet doen.

Het is het geloof dat wat wij doen er toe doet, hoewel we niet van tevoren kunnen weten wat, wanneer, hoe en waar het er toe zal doen, citeerde ik eerder Rebecca Solnit, en dat geldt ook voor de pelgrim. Om toch maar iets te doen wanneer hij niet weet wat te doen aan een stressvolle situatie, gaat hij op weg. Op weg naar een heiligdom, hetzij omdat hij zijn noden wil voorleggen aan zijn god, hetzij om een lange voettocht te maken en onderweg te overdenken hoe het nu verder moet. Het maakt niet zoveel uit, want zowel onderweg als in het heiligdom kan de pelgrim zijn god ontmoeten. Ooit was een pelgrimage een gevaarlijke onderneming. Dat is het tegenwoordig niet meer. Pelgrims worden niet meer overvallen door struikrovers, ze hoeven niet meer hun eten bij elkaar te bedelen, ze hoeven niet meer in de openlucht te slapen, ze zullen niet meer sterven van uitputting voordat ze op hun bestemming zijn aangekomen. Maar offers worden er steeds gebracht. In het heiligdom in de vorm van kaarsen, votiefgaven en geld, en ook in de vorm van rituelen die lichamelijk afzien vereisen, zoals het op de knieën afleggen van het laatste stuk van de route naar het heiligdom. En door de lopende pelgrims worden offers gebracht in de vorm van spierpijn, blaren, gevaarlijke honden, volle overnachtingsplaatsen, snurkende medepelgrims, overvolle pelgrimspaden en langs-scheurende auto’s.

Door iedere pelgrim wordt gehoopt op en gewerkt aan een betere toekomst. Geloof en moed zijn nodig, garanties zijn er niet. En wie niet verder kan, heeft misschien anderen een eind op weg geholpen.

Je zou de pelgrimage ook de geritualiseerde hoop kunnen noemen.